Te laag suikergehalte (hypo)

msd-diabetes

De belangrijkste complicatie van de behandeling van een suikerziektepatiënt met insuline is een te laag bloedglucosegehalte.

Insuline heeft een verlagend effect op het bloedglucosegehalte. Als er meer insuline wordt toegediend dan nodig is, kan het bloedglucosegehalte te laag worden. Hoewel dit niet vaak voorkomt, is het belangrijk dat u weet hoe u in een dergelijke situatie het beste kunt handelen.

Er zijn diverse oorzaken voor het ontstaan van een te laag bloedglucosegehalte:

  • Een toename in de dagelijkse activiteit en/of een verminderde opname van voedsel leiden tot een verminderde behoefte aan insuline.
  • De insulinebehoefte kan ook verminderen doordat de alvleesklier zelf weer meer insuline is gaan maken.
  • Als het dier braakt of diarree heeft, zal de vertering van voedsel minder goed verlopen dan normaal. Hierdoor zal er minder aanbod van glucose aan het bloed zijn, waardoor er minder insuline nodig is om het bloedglucosegehalte binnen de normale grenzen te houden.
  • Ook fouten bij het toedienen van insuline zijn mogelijk. De toediening van insuline moet dan ook met de grootst mogelijke zorg gebeuren.

Samengevat zijn de belangrijkste oorzaken voor het ontstaan van een te laag bloedglucosegehalte dus:

  • opname van minder voedsel in combinatie met de gebruikelijke insulinedosering
  • plotselinge toename van het glucoseverbruik door verhoogde activiteit
    een te hoge dosering insuline
  • een normale dosering insuline, wanneer de behoefte ineens is afgenomen

Bij een te laag bloedglucosegehalte krijgen de hersenen te weinig brandstof. Dit kan levensbedreigend zijn en daarom is het belangrijk dat u de verschijnselen herkent.

Een dier waarvan het bloedglucosegehalte laag begint te worden kan onrustig of juist sloom zijn en/of op onverwachte tijden honger hebben. Als het bloedglucosegehalte nog verder zakt begint het dier te rillen of vreemde bewegingen (omvallen, trappelen met de poten) te maken. Uiteindelijk zal het dier in een diepe slaap zakken, waaruit zij slecht of niet wakker te maken is. Deze situatie is op elk tijdstip van de dag mogelijk, maar doet zich meestal 2 tot 4 uur na de insulinetoediening voor.

Wat te doen bij verschijnselen van een te laag bloedglucosegehalte?

Omdat een te laag bloedglucosegehalte levensbedreigend is, moet ervoor gezorgd worden dat het bloedglucosegehalte zo snel mogelijk weer gaat stijgen. Als uw dier verschijnselen van een te laag bloedglucosegehalte vertoont, moet er onmiddellijk een maaltijd gegeven worden. Als het dier niet meer in staat is om de maaltijd op te eten, moet zo snel mogelijk glucose (druivensuiker of een druivensuikeroplossing) of honing worden gegeven. U geeft hiervan ongeveer 1 gram per kilogram lichaamsgewicht. De oplossing kan u voorzichtig in de wangzak gieten, het poeder of de honing kan u op het mondslijmvlies- vooral op en onder de tong – wrijven. Als het dier niet direct verbetert na de toediening van druivensuiker of honing in de mond, is het heel belangrijk om direct contact op te nemen met de dierenarts.

Als herstel wel optreedt, moet u het dier alsnog een maaltijd aanbieden. Vervolgens het dier gedurende meerdere uren goed in de gaten houden om na te gaan of de verschijnselen opnieuw optreden. Om een hernieuwde daling in het bloedglucosegehalte te voorkomen, moet met regelmatige tussenpozen een maaltijd gegeven worden.

Vóór de volgende insuline-injectie moet met de dierenarts overlegd worden over de hoeveelheid insuline die moet toegediend worden!